§ 07 · De taal · Woordenschat

Woordenschat en etymologie.

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal beslaat 43 delen, ongeveer 400.000 lemmata. Daaronder een Germaanse kern, een Latijnse aderlaag, een stevige Franse inslag, en — uniek in Europa — lagen uit het Maleis, het Jiddisch en het Sranantongo.

Omvang: WNT en Van Dale

Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) is met zijn 43 banden en een kleine 400.000 lemmata het grootste historische woordenboek ter wereld. Het project werd in 1864 opgezet door Matthias de Vries en Lammert Allard te Winkel, en in 1998 voltooid — ruim anderhalve eeuw later. Het beslaat het Nederlands van 1500 tot 1976. Sinds 2001 is het volledig online beschikbaar via het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT).

Voor de hedendaagse taal is Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal de referentie. De dertiende druk (2022) telt ongeveer 280.000 trefwoorden en 400.000 betekenissen. Daarnaast publiceert Van Dale aparte woordenboeken voor synoniemen, uitdrukkingen en voor Belgisch-Nederlands — de zuidelijke variant van de standaardtaal. De officiële spellingsautoriteit ligt echter bij de Woordenlijst van de Nederlandse Taalunie.

De Germaanse kern

De frequentste woorden van het Nederlands — lidwoorden, voornaamwoorden, voegwoorden, hulpwerkwoorden, termen voor lichaamsdelen, familierelaties, basislevensbehoeften — zijn Germaans en gaan terug op het Proto-Germaans. Een kleine greep: hoofd, hand, voet, huis, brood, water, vuur, moeder, vader, zoon, dochter, drinken, eten, slapen. De overeenkomst met het Duits (Haupt, Hand, Fuß, Haus) en het Engels (head, hand, foot, house) is niet toevallig: beide talen deelden een gemeenschappelijke voorouder.

De Latijnse laag

Via de kerk (vanaf de kerstening, zevende tot negende eeuw), de scholastieke wetenschap en later het humanistisch onderwijs drong het Latijn diep in de Nederlandse woordenschat door. Kerktermen als kerk (< circa), engel (< angelus), priester (< presbyter) en monnik (< monachus) stammen uit die eerste laag. De humanistische woordenschat bracht universiteit, filosofie, doctor, professor, student, examen en een lange reeks vaktermen; in de geneeskunde en het recht bleven Latijnse termen eeuwenlang productief (pacta sunt servanda, mutatis mutandis, post hoc).

De Franse laag

Vanaf de Bourgondische periode (veertiende–vijftiende eeuw) oefende het Frans een cultureel overwicht uit op de hofsamenleving van de Nederlanden. Dat leverde een eerste laag cultuur- en modewoorden op: mantel, kleur, persoon, troon, kasteel, feest. De tweede grote golf kwam in de Napoleontische jaren (1795–1813), toen delen van Nederland en België Frans bestuur kregen; bureaucratische en juridische termen als bureau, document, procureur, ministerie, bataljon, brigade stammen uit die tijd. De derde Franse laag is culinair en chic: souper, chic, elegant, parfum, bureau, portret, atelier, enveloppe. In Vlaanderen is de Franse laag dikker dan in Nederland (camion voor vrachtwagen, frigo voor koelkast, plezant waar Nederland leuk zegt).

Duits en Engels

Duitse leenwoorden zijn vaak onopvallend, omdat de twee talen fonologisch dicht bij elkaar liggen. Filosofische en wetenschappelijke termen uit de Duitse negentiende en twintigste eeuw slopen mee (wereldbeeld < Weltbild, weltschmerz, überhaupt, sowieso, ausgerechnet — die laatste drie zijn in spreektaal nog altijd idiomatisch). Minder gewenst, maar ingeburgerd, zijn woorden uit het Ostduits van de Tweede Wereldoorlog (bunker, blitz, aftocht).

Engelse leenwoorden domineren sinds 1945. Hun plaats in de Nederlandse zin is inmiddels grammaticaal geformaliseerd: Engelse werkwoorden krijgen Nederlandse vervoeging (gedownload, uploaden, managen, cancelen), Engelse substantieven volgen het Nederlandse meervoudspatroon (computers, apps, tweets). Over de wenselijkheid van deze stroom leenwoorden wordt binnen de Taalunie en op taalblogs regelmatig gepolemiseerd, met onverminderd succes van de leenwoorden zelf.

Koloniale leenwoorden

Specifiek voor het Nederlands is een substantiële laag leenwoorden uit talen waarmee de taal via handel en kolonie in contact kwam. Uit het Maleis — vanaf de zeventiende-eeuwse Verenigde Oost-Indische Compagnie — komen onder andere:

  • amok (Maleis amuk, razernij)
  • pienter (Maleis pintar, slim)
  • bakkeleien (Maleis berkelahi, vechten)
  • senang (Maleis senang, prettig)
  • piekeren (Maleis pikir, denken)
  • pakkie-an (Maleis pakaian, verantwoordelijkheid)
  • branie (Maleis berani, dapper)
  • babbelen, bamboe, kampong, pasar, sarong

Uit het Sranantongo en het Papiaments komen, vooral in moderner Nederlands, woorden als doekoe (geld, uit Sranan), bakra (witte, in Surinaams-Nederlands) en wiri-wiri. Zie ook de pagina's over Suriname en de Caribische landen.

Omgekeerd reisden vele Nederlandse woorden de wereld over via de VOC en de WIC. De Indonesische kantor, de Japanse kohii (koffie), de Russische brjuki (broek) en de Engelse boss en cookie zijn overerfenissen van Nederlandse handelscontacten.

Jiddisch

Eeuwenlange aanwezigheid van Joodse gemeenschappen in Amsterdam, Antwerpen en kleinere steden heeft een bescheiden maar geliefde Jiddische laag in de spreektaal opgeleverd. Klassiek zijn:

  • mazzel (Jiddisch mazl, geluk)
  • jatten (stelen)
  • gozer (jongeman)
  • gein (plezier)
  • kapsones (hooghartigheid)
  • mesjogge (gek)
  • ponem (gezicht)
  • gabber (vriend)
  • smous (historische benaming, vandaag beladen)

Het Amsterdams-jodenhoeks registerkenmerk van deze woorden is deels verwaterd; mazzel is volstrekt algemeen geworden, jatten schooljongenstaal, gabber een muziekgenre.

Neologismen en Woord van het Jaar

Elk jaar roept Van Dale in samenwerking met de Vlaamse zender VRT en met Onze Taal een Woord van het Jaar uit. De selectie gebeurt op basis van lezersvoorstellen, met aandacht voor woorden die in dat jaar opkomst of betekenisverandering doormaakten. Woorden die werden verkozen: swaffelen (2008), untaggen (2009), participatiesamenleving (2013), plofkip (2014), mbo-mechanisme (2019). Van Dale houdt een aparte lijst bij van Vlaamse verkozen woorden; daar wint het geregeld ander vocabulaire (wappie, quarantaine, koot). De nieuwsindex bespreekt het juryrapport en alle genomineerden.

Bronnen

Voor etymologisch onderzoek zijn drie bronnen onmisbaar. De etymologiebank.nl, een initiatief van het Meertens Instituut, biedt voor elk hedendaags woord één of meer etymologische artikelen uit gezaghebbende naslagwerken (Van Veen, Philippa). Het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT) in Leiden publiceert de historische woordenboeken online (Oudnederlands, Vroegmiddelnederlands, Middelnederlands, WNT, ANW) en coördineert nieuwe lexicografische projecten. Het Genootschap Onze Taal geeft het maandblad Onze Taal uit en beantwoordt duizenden taalvragen per jaar. Zie verder de Taaluniepagina voor de institutionele kaders en literatuur voor de literaire verwerking van deze woordenschat.