§ 15 · Regio · Afrikaans

Afrikaans: dochtertaal van het Nederlands.

Aan de Kaap, vanaf 1652, groeide uit zeventiende-eeuws Zuid-Hollands Nederlands een afzonderlijke taal. Sinds 1925 als zelfstandige taal erkend, vandaag door ongeveer zeven miljoen mensen gesproken — en staatsrechtelijk geen onderdeel van het Nederlandstalige verdragsgebied.

Moedertaalsprekers
± 7 mln
Officiële status
Zuid-Afrika (1 van 12); Namibië (nationale gebruikstaal)
Erkend als aparte taal
1925
VOC aan de Kaap
1652
Taalunielidmaatschap
Geen — zelfstandige taal

VOC en de Kaap (1652)

Op 6 april 1652 landde Jan van Riebeeck namens de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) aan de voet van de Tafelberg. Het verversingsstation dat hij opzette moest schepen op de route naar Batavia (het huidige Jakarta) voorzien van water, groenten en vlees. Van Riebeecks expeditie bestond uit ongeveer honderd mannen; in de decennia die volgden trokken kolonisten in kleine aantallen het binnenland in.

De meeste VOC-dienaren aan de Kaap waren Nederlandstalig, met een zwaartepunt in het Zuid-Hollands en Zeeuws. Daarnaast werkten er Duitsers (die een vorm van Nederduits spraken), Scandinaviërs, en — vanaf de late zeventiende eeuw — een aanzienlijke groep Franse hugenoten (vanaf 1688). De Franse aanwezigheid in de Zuid-Afrikaanse wijnbouw is daarvan nog een tastbaar spoor.

Talencontact

De Kaapkolonie was vanaf het begin een multilinguaal milieu. Belangrijke contacttalen naast het Nederlands waren:

  • Portugees, via de slavenhandel met de Portugese handelsposten in West-Afrika en via het Portugees pidgin dat in de Atlantische slavenhandel circuleerde.
  • Maleis, meegebracht door tot slaaf gemaakte Aziaten die vanaf 1658 vanuit Batavia en omliggende gebieden aan de Kaap werden aangevoerd. Deze bevolkingsgroep werd later bekend als de Cape Malay-gemeenschap.
  • Khoikhoi, de taal van de oorspronkelijke pastorale bevolking.
  • Xhosa en andere Bantoetalen, naarmate de kolonisten verder het binnenland introkken.

Kaaps-Hollands

Uit deze contactsituatie ontstond in de zeventiende en achttiende eeuw het Kaaps-Hollands: een variant van het Nederlands die onder invloed van de meertalige Kaapse bevolking aanzienlijke grammaticale vereenvoudigingen onderging. Tot in de negentiende eeuw werd het beschouwd als een achterlijk dialect van het Nederlands — de „kombuistaal“ (keukentaal), naast de hoogdeftige schrijftaal die gewoon Nederlands was. Kerkdiensten werden in het Nederlands gehouden, en tot in de twintigste eeuw werden in een deel van de Zuid-Afrikaanse scholen nog Nederlandstalige schoolboeken gebruikt.

Erkenning in 1925

De systematische codificatie van het Afrikaans begon met de Genootskap van Regte Afrikaners (1875), die in Paarl het tijdschrift Die Afrikaanse Patriot uitgaf. Een eigen spelling werd geleidelijk uitgewerkt. In 1914 werd Afrikaans voor het eerst als onderwijstaal toegelaten; in 1925 werd het bij Grondwetwijziging als officiële taal van de Unie van Zuid-Afrika erkend, naast het Engels en in plaats van het Nederlands. Nederlandstalige schoolboeken verdwenen in de daaropvolgende decennia uit de Zuid-Afrikaanse klaslokalen.

Grammaticale vereenvoudiging

Het Afrikaans toont kenmerken van aanzienlijke grammaticale vereenvoudiging ten opzichte van het zeventiende-eeuwse moeder-Nederlands:

  • Geen grammaticaal geslacht — het Nederlandse de/het-onderscheid is weggevallen. Enkelvoudig bepaald lidwoord is die („de man“: die man).
  • Geen naamvalsverbuiging.
  • Sterk gereduceerde werkwoordsvervoeging. Ek is, jy is, hy is, ons is, julle is, hulle is — één vorm voor alle personen.
  • Geen verleden tijd op werkwoordsstam. Voor het verleden gebruikt men de voltooide tijd: ek het geloop (ik heb gelopen) voor zowel „ik liep“ als „ik heb gelopen“.
  • Dubbele ontkenning: Ek is nie siek nie (ik ben niet ziek niet). Vermoedelijk onder invloed van Khoikhoi of Maleis substraat; discussie blijft open.
  • Verkleinvormen op -tjie, -jie, -pie (boekjie, mannetjie) in lichte afwijking van het Nederlandse -je.

De fonologie verschilt van het Nederlands door ontronding (Nederlands huis [œy] wordt huis [œy] maar meer geopend), een meer uitgesproken Kaapse r-realisatie, en afwezigheid van finale devoicering in dezelfde mate als in het Noord-Nederlands.

Wederzijdse verstaanbaarheid

De wederzijdse verstaanbaarheid tussen Nederlands en Afrikaans is asymmetrisch en afhankelijk van modus. Geschreven Afrikaans is voor een Nederlandstalige lezer zonder oefening voor ongeveer 70 tot 80 procent toegankelijk — genoeg om een krantenartikel op hoofdlijnen te volgen, te weinig om een roman te lezen zonder woordenboek. Gesproken Afrikaans is moeilijker, vooral door de uitspraakverschillen. Voor een Afrikaanstalige is het Nederlands doorgaans iets begrijpelijker dan andersom, omdat het Afrikaans minder grammaticale complexiteit heeft en de Nederlandse complexiteit herkenbaar maar niet noodzakelijk aanwezig is in de eigen taal. Zie voor verdere verwantschappen de plaatsingspagina.

Actuele status

Afrikaans heeft vandaag ongeveer zeven miljoen moedertaalsprekers, waarvan ongeveer 6,5 miljoen in Zuid-Afrika en 300.000 in Namibië. In Zuid-Afrika is het een van de twaalf officiële talen die de Grondwet van 1996 noemt (naast onder meer Engels, Zulu, Xhosa, Sesotho, Setswana en — sinds 2023 formeel erkend — Zuid-Afrikaanse gebarentaal). In Namibië heeft het als nationale gebruikstaal een aparte positie, al is Engels er sinds 1990 de enige officiële taal.

Het sprekerscorpus is etnisch divers. De grootste groep (ongeveer 60 procent van de moedertaalsprekers) bestaat uit Kleurlingen (Bruinmense) in de Westelijke en Noordelijke Kaap; daarnaast de witte Afrikaners (ongeveer 40 procent) voornamelijk in de binnenlandse provincies. De verwarring die in westerse media soms ontstaat — Afrikaans = witte Afrikaners — doet de demografische werkelijkheid geen recht.

Apartheid en postapartheid

De associatie van het Afrikaans met het apartheidsregime (1948–1994) is een pijnlijke erfenis. De invoering van het Afrikaans als verplichte instructietaal in het zwarte onderwijs leidde tot de Sowetoopstand van 16 juni 1976, waarin jonge zwarte scholieren tegen de taalpolitiek in opstand kwamen; dodelijke politie-inmenging maakte die dag tot symbool van het anti-apartheidsverzet. Onder het postapartheidsregime is het Afrikaans van zijn hegemonie ontdaan en in de publieke ruimte gelijkgesteld aan andere talen. In het hoger onderwijs heeft de verengelsing van traditioneel Afrikaanstalige universiteiten (Stellenbosch, Pretoria, Potchefstroom) sinds 2015 tot scherp politiek debat geleid.

Literatuur

De Afrikaanstalige literatuur is rijk en gelaagd. De Sestigers-beweging van de jaren 1960 (Breyten Breytenbach, André P. Brink, Etienne Leroux) brak met het conservatieve canon van de Eerste en Tweede Afrikaanse Taalbeweging. Later volgden figuren als Antjie Krog (1952, Country of my Skull, 1998, over de Waarheidscommissie) en Marlene van Niekerk (1954, Triomf, 1994; Agaat, 2004).

De Nederlandstalige en Afrikaanstalige literatuur onderhouden een levendige uitwisseling. Werk van Breyten Breytenbach is in het Nederlands gepubliceerd, en Nederlandstalige auteurs als Adriaan van Dis (Het beloofde land, 1990) schrijven vanuit Zuid-Afrikaanse ervaring. Zie ook literatuur.

Geen Taalunie-lidmaatschap

Het Afrikaans is géén lid en ook geen geassocieerd lid van de Nederlandse Taalunie. Het is sinds 1925 als zelfstandige taal erkend en heeft een eigen spellingsautoriteit: de Taalkommissie van de Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns (Pretoria), die de Afrikaanse Woordelys en Spelreëls uitgeeft. De Nederlandse Taalunie heeft in 2014 wel een samenwerkingsovereenkomst met de Taalkommissie gesloten voor uitwisseling van lexicografische data, zonder dat daar een verdragsbepaling aan vastzit. Zie voor de verdere geschiedenis de historische pagina.