§ 04 · De taal · Grammatica

Nederlandse grammatica.

Tien woordsoorten, twee grammaticale geslachten in het noorden en drie in het zuiden, een V2-woordvolgorde met tangconstructie, en een werkwoordsvervoeging die relatief weinig vormen kent maar streng wordt toegepast. Een systematisch overzicht.

Woordsoorten

De Nederlandse grammatica onderscheidt traditioneel tien woordsoorten: zelfstandig naamwoord (substantief), lidwoord, bijvoeglijk naamwoord (adjectief), voornaamwoord, werkwoord, telwoord, bijwoord, voorzetsel, voegwoord en tussenwerpsel. De grens tussen sommige categorieën is vloeiend — het woord gisteren gedraagt zich nu eens als bijwoord, dan weer als zelfstandig naamwoord („het gisteren van de politiek“) — en moderne taalkundige beschrijvingen werken met fijnmaziger indelingen. Voor de praktijk van het onderwijs en van het Groene Boekje blijft de tiendeling de norm.

Lidwoorden: de, het, een

Het Nederlands kent twee bepaalde lidwoorden (de en het) en één onbepaald lidwoord (een, in dagelijks gesproken taal vaak uitgesproken als ’n). Historisch kende het Nederlands drie grammaticale geslachten — mannelijk, vrouwelijk, onzijdig — die alle drie een eigen lidwoord hadden. In de noordelijke standaardtaal zijn mannelijk en vrouwelijk samengevallen tot één gemeenschappelijk de-woord; in de zuidelijke standaardtaal (en in veel zuidelijke dialecten) blijft het onderscheid voelbaar, onder andere in de keuze tussen hij en zij bij verwijzing naar zelfstandige naamwoorden.

Welk woord de en welk woord het krijgt, is voor wie Nederlands als tweede taal leert een berucht struikelblok: er zijn tendensen (diminutieven krijgen altijd het; collectiva op -schap meestal het; abstracta op -heid altijd de) maar geen harde regel. Zie Nederlands leren voor de didactische kant.

Naamvallen: wat ervan over is

Het Oud- en Middelnederlands kenden vier naamvallen — nominatief, genitief, datief en accusatief. In de loop van de vroegmoderne periode verdwijnt de productieve naamvalsverbuiging uit de spreektaal; de Spelling-De Vries & Te Winkel (1864) handhaaft haar nog op schrift, maar de Spelling-Marchant (1934) schrapt die schijnvormen.

Restanten zijn vandaag vooral lexicaal: 's ochtends, 's avonds, des nachts, ten huize van, ter ere van, in naam der wet, mijns inziens. Deze vormen zijn versteend — niemand vervoegt ze nog naar hun context — maar idiomatisch springlevend. Bij eigennamen leeft de genitief op -s voort (Jans boek, Annekes fiets); bij gewone zelfstandige naamwoorden is van de enige productieve bezitsvorm.

Werkwoordstijden

Het Nederlands kent acht werkwoordstijden. In het onderwijs worden ze meestal in een tabelletje met hun afkortingen aangeboden:

TijdAfkortingVoorbeeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdottt / ottik werk
Onvoltooid verleden tijdovtik werkte
Voltooid tegenwoordige tijdvttik heb gewerkt
Voltooid verleden tijdvvtik had gewerkt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijdotttik zal werken
Onvoltooid verleden toekomende tijdovttik zou werken
Voltooid tegenwoordige toekomende tijdvtttik zal hebben gewerkt
Voltooid verleden toekomende tijdvvttik zou hebben gewerkt

Werkwoorden zijn hetzij zwak (regelmatig, op -de/-te in de verleden tijd en -d/-t in het voltooid deelwoord), hetzij sterk (met klankverandering van de stamklinker: zingen/zong/gezongen). De regel ’t kofschip — met de uitbreiding tot ’t fokschaap of ’t sexy ficksschaap — bepaalt of een zwak werkwoord zijn verleden tijd op -te of op -de krijgt. Enkele werkwoorden zijn hulp- of koppelwerkwoord (zijn, worden, blijven, lijken); de onregelmatige werkwoorden hebben, zijn, gaan, staan, doen en een handvol andere gelden als volstrekt frequent en worden vroeg in het leerproces aangeleerd.

Zinsbouw: V2 en SOV

Typologisch is het Nederlands een V2-taal: in een hoofdzin staat de persoonsvorm op de tweede positie, ongeacht wat op de eerste positie staat. Op de eerste positie kan een onderwerp staan (Hij leest de krant), een tijdbepaling (Gisteren las hij de krant), een voorzetselbepaling (In de trein las hij de krant), of een voorwerp (De krant las hij in de trein). In al deze zinnen blijft de persoonsvorm las op plaats twee.

In bijzinnen — zinnen die met een onderschikkend voegwoord als dat, omdat, terwijl, hoewel, als beginnen — verandert de volgorde naar SOV: de werkwoorden gaan uiteindelijk achteraan staan. … omdat hij de krant in de trein las. Diezelfde volgorde geldt bij relatieve bijzinnen (de man die de krant leest) en in de infinitiefbijzin (om de krant te lezen). De wisseling tussen V2 en SOV is het kerngegeven van de Nederlandse syntaxis.

De tangconstructie

Uit de SOV-volgorde in de bijzin vloeit het verschijnsel voort waar anderstaligen het meest van schrikken: de tangconstructie. Omdat alle werkwoorden helemaal achteraan staan, kan tussen het onderwerp en het eindwerkwoord een lange reeks bepalingen worden geschoven. Vergelijk het korte voorbeeld:

„… dat hij ging.“

met de uitgebouwde versie:

„… dat hij, ondanks het feit dat het al laat was en de trein waarschijnlijk niet meer zou rijden, toch nog besloot te gaan.“

Onderwerp en werkwoord staan inmiddels door een halve regel tekst gescheiden; de moedertaalspreker zet de twee zonder na te denken aan elkaar vast. Voor niet-moedertaalsprekers is het oefenen van deze structuur een van de kernoefeningen bij het leren van Nederlands, zie Nederlands leren.

Lijdende vorm: worden en zijn

Het Nederlands kent twee hulpwerkwoorden voor de lijdende vorm: worden voor het dynamische passief en zijn voor het statische passief (ook wel het resultatieve passief genoemd). De deur wordt gesloten beschrijft een handeling in uitvoering; De deur is gesloten beschrijft de resulterende toestand. Het contrast is in het Engels niet expliciet (is closed kan beide betekenen) en dat maakt de keuze voor Engelstaligen vaak lastig. In veel West-Vlaamse dialecten en in Vlaams-Belgisch taalgebruik is het onderscheid soms diffuus; in de standaardtaal blijft het scherp.

Verschillen Nederland–Vlaanderen

De standaardtaal is in Nederland en Vlaanderen grotendeels één, maar op grammaticaal vlak vallen een aantal systematische verschillen op. Het persoonlijk voornaamwoord gij / ge, in Nederland alleen nog archaïsch of dialectaal in gebruik, is in Vlaamse spreektaal springlevend en dringt geregeld door in geschreven informele taal. In de standaardtaal wordt jij/je voor informeel gebruik en u voor formeel gebruik voorgeschreven.

Het gebruik van hebben of zijn als hulpwerkwoord bij het voltooid deelwoord verschilt soms: een Nederlander zegt ik heb gelegen, een Vlaming kiest geregeld voor ik ben gelegen. Het gerundium op -ende („strikt genomen“, „niet te onderschatten zijnde“) is in Vlaanderen wat frequenter; Nederland kiest vaker voor een bijzin met dat. Ook ontkenningen (niet versus een ouder „dubbele negatie“ als „niks nie“, standaardtalig fout maar in Vlaamse tussentaal gebruikelijk) liggen verschillend. Zie verder Vlaanderen en Brussel en Dialecten.