§ 03 · Geschiedenis · Pilaar

Vijftien eeuwen Nederlands.

Van een paar losse woorden op de Utrechtse doopbelofte rond het jaar 800 tot een verdragstaal die vandaag door vijfentwintig miljoen mensen wordt gesproken: een overzicht van de voornaamste perioden, hervormingen en teksten.

Oudste fragment
Utrechtse doopbelofte, ca. 790
Oudste literaire zin
Hebban olla vogala, ca. 1100
Eerste spellingregel
Siegenbeek, 1804
Standaardtaal van een koninkrijk
1815
Taalunieverdrag
9 september 1980

§ Tijdlijn

Hoofdlijnen op een rij.

  1. ca. 500–1150

    Oudnederlands

    Losse glossen, de Wachtendonckse Psalmen, het kladzinnetje Hebban olla vogala.

  2. 1150–1500

    Middelnederlands

    Stadsdialecten, ridderromans en mystieke teksten. Elke stad schrijft naar eigen uitspraak.

  3. 1500–1700

    Vroegnieuwnederlands

    Gouden Eeuw: Vondel, Hooft, Bredero. In 1637 verschijnt de Statenvertaling.

  4. 1700–1800

    Achttiende eeuw

    Opkomst van een geletterde burgerij; Wolff & Deken publiceren Sara Burgerhart (1782).

  5. 1804

    Spelling-Siegenbeek

    Matthijs Siegenbeek schrijft de eerste officiële spelling voor de Bataafse Republiek.

  6. 1864

    Spelling-De Vries & Te Winkel

    De spelling die ten grondslag ligt aan het WNT en die tot 1946/1947 in Nederland en België geldt.

  7. 1934

    Spelling-Marchant

    Minister Marchant voert in Nederland een vereenvoudigde spelling door; in België wordt hij ten dele gevolgd.

  8. 1954

    Woordenlijst (het Groene Boekje)

    Eerste gezamenlijke officiële woordenlijst van Nederland en België, op basis van De Vries & Te Winkel.

  9. 1980

    Nederlandse Taalunie

    Verdrag tussen Nederland en België; Suriname wordt in 2004 geassocieerd lid.

  10. 1995 / 2005

    Spellinghervormingen

    Herziene tussen-n-regels; een tweede ronde volgt tien jaar later. Een volgende herziening is aangekondigd voor 2035.

Oudnederlands (ca. 500–1150)

De term Oudnederlands dekt een periode waarover we slechts fragmenten bezitten. Op de overgang van Oudgermaans naar een eigen Nederfrankische variëteit worden woorden en zinnetjes genoteerd in de marge van Latijnse teksten, op doopbeloften en in juridische formules. Het oudste doorlopend overgeleverde stuk Oudnederlands is de Wachtendonckse Psalmen: een interlineaire vertaling van tientallen psalmen, waarschijnlijk tot stand gekomen in het tiende-eeuwse abdij-milieu aan de Maas. Het manuscript zelf is verdwenen; we kennen de tekst alleen uit humanistische afschriften van Justus Lipsius.

Het beroemdste Oudnederlandse fragment is echter een kladzinnetje, geschreven rond het einde van de elfde eeuw door een Vlaamse monnik in een Engels klooster in Rochester:

Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic enda thu
uuat unbidan uue nu

— „Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; waar wachten wij nog op?“ Lange tijd gold het als de oudste Nederlandse zin in de literatuur; recente vondsten (onder andere een elfde-eeuwse Utrechtse doopbelofte) hebben de chronologie wat verschoven, maar de symbolische waarde van het zinnetje blijft onaangetast.

Middelnederlands (1150–1500)

Vanaf de twaalfde eeuw wordt er in de Lage Landen systematisch meer geschreven: ridderromans, stadskronieken, rechtsbronnen, liedboeken, preken, mystieke verhandelingen. Er bestaat nog geen gemeenschappelijke standaardtaal — elk gewest, vaak elke stad, schrijft naar eigen uitspraak. De variaties binnen het Middelnederlands zijn dan ook groot: Vlaams, Brabants, Hollands, Limburgs en Nedersaksisch laten zich feilloos uiteenleggen.

Uit deze eeuwen stammen de literaire monumenten die vandaag nog op iedere middelbare school worden gelezen: Van den vos Reynaerde (tweede helft dertiende eeuw, Vlaams), Karel ende Elegast, Beatrijs, de werken van Hadewijch (mystica, Brabant, ca. 1240) en van Jan van Ruusbroec (1293–1381). De Brusselse geheimschrijver Jan van Boendale schreef in 1330 met Der leken spieghel een gedicht over de moraal van de leek. Deze literatuur staat uitvoerig beschreven op de literatuurpagina.

Tegen het einde van de periode beginnen de eerste standaardisatietendensen zich te tekenen. De boekdrukkunst, in onze streken geïntroduceerd rond 1473 door Colard Mansion en kort daarop door William Caxton, dwingt drukkers tot consistente spelling binnen één uitgave. De Statenbijbel in voorbereiding, anderhalve eeuw later nog, zal op die ontwikkeling voortbouwen.

Vroegnieuwnederlands (1500–1700)

De zestiende eeuw brengt schismas en oorlogen, maar ook een humanistische explosie. Reformatie en contrareformatie genereren reeksen nieuwe bijbelvertalingen; humanisten van Vlaamse en Hollandse snit schrijven in het Latijn én het Nederlands. De Antwerpse drukkerij van Plantin is jarenlang de grootste van Europa; de val van Antwerpen in 1585 drijft een groot deel van de geletterde zuidelijke bevolking noordwaarts, naar een opkomende Republiek.

In de Gouden Eeuw bereikt de standaardisering een eerste hoogtepunt. De Statenvertaling — in opdracht van de Synode van Dordrecht vertaald door een commissie uit verschillende gewesten, uitgegeven in 1637 — wordt eeuwenlang de belangrijkste leesbare tekst van protestants Nederland. Zij zet standaardkeuzes vast op het gebied van klanksysteem, spelling en zinsbouw die tot in de negentiende eeuw doorwerken.

Literair is deze eeuw geboekstaafd als Nederlandse Gouden Eeuw: Joost van den Vondel (1587–1679, Gysbreght van Aemstel, Lucifer), P.C. Hooft (1581–1647, historicus en dichter), Gerbrand Adriaenszoon Bredero (1585–1618, Spaanschen Brabander), en op de achtergrond Jacob Cats (1577–1660) en Constantijn Huygens (1596–1687). Hun werk staat uitvoerig beschreven op de literatuurpagina.

Modern Nederlands (1700–1945)

Tijdens de achttiende eeuw is het Nederlands cultureel minder dominant dan in de Gouden Eeuw, maar de taal wordt wel steeds meer gecodificeerd. Het werk van de predikant Lambert ten Kate (1674–1731) op het gebied van de historisch-vergelijkende klankleer is baanbrekend. In 1782 publiceren Betje Wolff en Aagje Deken Sara Burgerhart, de eerste Nederlandse roman in brieven.

In 1804 krijgt de jonge Bataafse Republiek een officiële spelling — de Spelling-Siegenbeek, naar de Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek. Zestig jaar later verschijnt de Spelling-De Vries & Te Winkel (1863–1864): een compromis tussen etymologie en uitspraak, dat de basis legt voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dat WNT zou uiteindelijk 43 delen beslaan en pas in 1998 worden voltooid.

Negentiende-eeuwse literatuur omvat Multatuli (E. Douwes Dekker, Max Havelaar, 1860), de Tachtigers (Kloos, Gorter, Van Eeden) en het werk van Louis Couperus. In de twintigste eeuw volgen Nescio, Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff, Willem Elsschot, en na de Tweede Wereldoorlog de generatie van Hermans, Mulisch en Reve. Zie literatuur. Op spellinggebied is 1934 het jaar van minister Marchant, die in Nederland een vereenvoudigde spelling invoert (de bekende verdwijning van de -sch in woorden als Nederlandsche). België volgt gedeeltelijk, pas in 1946 en 1947 komt een volwaardig Nederlands-Belgisch akkoord tot stand.

Hedendaags Nederlands (1945–heden)

Na 1945 professionaliseert het Nederlandse taalbeleid. In 1954 verschijnt het eerste gezamenlijke Nederlands-Belgische Groene Boekje, op 9 september 1980 wordt het Taalunieverdrag getekend door de Nederlandse en Belgische regeringen. De Nederlandse Taalunie wordt daarmee de enige intergouvernementele organisatie ter wereld die over een taal gaat. Suriname sluit zich in 2004 als geassocieerd lid aan en breidt die status in 2023 uit. Zie de Taaluniepagina voor de structuur.

Spelling wordt in 1995 en 2005 gereviseerd — vooral de regels rond de tussen-n en de Engelse leenwoorden geven bij elke ronde aanleiding tot polemiek. De Taalunie heeft voor 2035 een nieuwe herzieningsronde aangekondigd. Op het gebied van lexicografie zorgt de digitalisering voor een revolutie: het WNT verschijnt in 2000 online, de Woordenlijst Nederlandse Taal (Woordenlijst.org) is vrij toegankelijk en wordt continu bijgewerkt, en het Instituut voor de Nederlandse Taal publiceert een reeks historisch-lexicografische databanken.

Literair is de hedendaagse periode polyfoon: naast traditionele noord- en zuidvarianten staan een Surinaams-Nederlandse stem (Albert Helman, Bea Vianen, Astrid Roemer, Karin Amatmoekrim), een Vlaamse vernieuwingsgolf (Hugo Claus, Tom Lanoye, Dimitri Verhulst, Peter Terrin) en een nieuwe generatie schrijvers van migratieachtergrond. In 2020 wint Marieke Lucas Rijneveld met De avond is ongemak (in de vertaling van Michele Hutchison) de International Booker Prize — de eerste Nederlandstalige roman die die prijs ontvangt. Zie literatuur.

Ondertussen verandert de gebruikssituatie door digitalisering razendsnel. Meer dan voorheen wordt Nederlands geschreven gebruikt in korte, informele registers (chat, sociale media, ondertiteling); meer dan voorheen wordt het Engels als wetenschappelijke en zakelijke taal gehoord. De zorg om de positie van het Nederlands in het hoger onderwijs (de verengelsingsdiscussie) is sinds 2018 voortdurend op de agenda van parlement en universiteiten. Zie tot slot de woordenschatpagina voor de lexicale kant van deze ontwikkelingen, en de dialectpagina voor wat er binnen het taalgebied gebeurt.