§ 03 · Geschiedenis · Pilaar
Vijftien eeuwen Nederlands.
Van een rechtsformule in een zesde-eeuwse wettekst en een elfde-eeuws liefdesversje tot een standaardtaal met zo'n 24 miljoen moedertaalsprekers: een overzicht van de voornaamste perioden, bronnen en spellinghervormingen.
§ Tijdlijn
Hoofdlijnen op een rij.
-
ca. 500–1150
Oudnederlands
Glossen, de Wachtendonckse Psalmen en het versje Hebban olla vogala.
-
1150–1500
Middelnederlands
Oorkonden, ridderromans, Van den vos Reynaerde en mystieke teksten. Geen eenheidstaal: elke regio schrijft op eigen wijze.
-
1500–1700
Vroegnieuwnederlands
Eerste grammatica's, Gouden Eeuw (Vondel, Hooft, Bredero) en in 1637 de Statenvertaling.
-
1782
Sara Burgerhart
Betje Wolff en Aagje Deken publiceren hun roman in brieven.
-
1804
Spelling-Siegenbeek
Matthijs Siegenbeek schrijft de eerste officiële spelling voor het Bataafs Gemenebest.
-
1863–1866
De Vries & Te Winkel
De spelling voor het WNT; in België in 1864 officieel ingevoerd, in Nederland in 1883.
-
1934 / 1947
Spelling-Marchant
Vereenvoudigde spelling in het Nederlandse onderwijs (mensch wordt mens); in 1946–1947 wordt een gezamenlijke spelling met België vastgelegd.
-
1954
Groene Boekje
Eerste gezamenlijke Woordenlijst Nederlandse Taal van Nederland en België.
-
1980
Nederlandse Taalunie
Verdrag tussen Nederland en België; Suriname is sinds 2004 geassocieerd lid.
-
1995 / 2005
Spellingherzieningen
Nieuwe regels voor onder meer de tussen-n; in 2005 volgen nog enkele wijzigingen.
Kort antwoord
Taalkundigen verdelen de geschiedenis van het Nederlands meestal in drie perioden: Oudnederlands (ca. 500–1150), bekend uit losse glossen, de Wachtendonckse Psalmen en Hebban olla vogala; Middelnederlands (ca. 1150–1500), met duizenden oorkonden en een rijke literatuur; en Nieuwnederlands (na 1500), de periode waarin een gemeenschappelijke standaardtaal en een officiële spelling ontstonden.
Oudnederlands (ca. 500–1150)
Uit de Oudnederlandse periode is weinig overgeleverd, en wat er is, bestaat vooral uit losse woorden en korte zinnen in Latijnse teksten. Als oudste bekende Nederlandse zin geldt meestal maltho thi afrio lito („ik zeg je: ik maak je vrij, laat“), een formule voor het vrijlaten van een halfvrije, uit de zogeheten Malbergse glossen bij de Salische wet (Lex Salica). Die wet dateert uit de zesde eeuw, maar is alleen bekend uit latere afschriften. De Utrechtse doopbelofte uit de late achtste eeuw wordt soms ook genoemd, maar de taal daarvan is omstreden: Oudsaksisch, Oudnederlands of een mengvorm.
De belangrijkste langere bron zijn de Wachtendonckse Psalmen: een Oudnederlandse (Oostnederfrankische) vertaling van Latijnse psalmen uit de tiende eeuw. De naam verwijst naar de Luikse kanunnik Arnold van Wachtendonck, die in de zestiende eeuw een handschrift bezat. De humanist Justus Lipsius leende het in 1591 en schreef delen over. Het handschrift zelf is verloren; de tekst is bekend uit latere afschriften van Lipsius' kopieën. Zo zijn stukken van een twintigtal psalmen bewaard gebleven, met de oudste vindplaats van honderden Nederlandse woorden.
Het beroemdste Oudnederlandse fragment is een kort versje, in 1932 ontdekt op een schutblad van een handschrift uit de kathedraalpriorij van Rochester (Engeland), nu in de Bodleian Library in Oxford. Het werd kort vóór 1100 als pennenproef genoteerd, vermoedelijk door een monnik uit het westen van het graafschap Vlaanderen:
Hebban olla uogala nestas hagunnan hinase hic enda thu
uuat unbidan uue nu
— „Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij; waarop wachten wij nu?“ Het geldt als de oudste bekende literaire tekst in het Nederlands. Recent onderzoek suggereert dat de schrijver bewust speelde met de gelijkenis tussen het Oudengels en het Oudnederlands, zodat het versje in beide talen te begrijpen was.
Tekst, vertaling, vondst en de discussie over de taal: Hebban olla vogala.
Middelnederlands (1150–1500)
Vanaf de twaalfde eeuw wordt er in de Lage Landen steeds meer in de volkstaal geschreven. Er bestaat nog geen gemeenschappelijke standaardtaal: elk gewest schrijft op zijn eigen manier, zodat Vlaamse, Brabantse, Hollandse en Limburgse teksten duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Vanaf de dertiende eeuw worden ook oorkonden (akten, contracten, stadsrechten) in het Nederlands opgesteld. Die ambtelijke teksten zijn voor taalkundigen een belangrijke bron, omdat ze precies gedateerd en gelokaliseerd zijn. De teksten tot 1300 zijn verzameld in het Corpus Gysseling; de woordenschat van de hele periode is beschreven in het Middelnederlandsch Woordenboek van Verwijs en Verdam en in het Vroegmiddelnederlands Woordenboek, die beide online te raadplegen zijn via het Instituut voor de Nederlandse Taal.
Uit deze eeuwen stammen literaire werken die nog altijd worden gelezen: de heiligenlegende over Sint-Servaas van Hendrik van Veldeke (twaalfde eeuw), Van den vos Reynaerde (dertiende eeuw), Karel ende Elegast, Beatrijs, de werken van de Brabantse mystica Hadewijch (dertiende eeuw), van Jacob van Maerlant en van Jan van Ruusbroec (1293–1381). De Antwerpse stadsklerk Jan van Boendale schreef tussen ongeveer 1325 en 1330 het leerdicht Der leken spieghel. Zie de literatuurpagina.
Aan het einde van de periode komt de boekdrukkunst. De eerste gedateerde boeken uit de Nederlanden verschenen in 1473, in Utrecht en in Aalst; in 1477 volgde in Delft de Delftse Bijbel, het eerste gedrukte boek in het Nederlands. Drukkers die voor een groter publiek werkten, kregen er belang bij regionale eigenaardigheden in spelling en woordkeus te beperken.
Vroegnieuwnederlands (1500–1700)
De zestiende eeuw brengt Reformatie, oorlog en een humanistische belangstelling voor de eigen taal. In 1584 verschijnt in Amsterdam de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst, uitgegeven door de rederijkerskamer De Eglentier: een van de eerste grammatica's van het Nederlands. Antwerpen, met de drukkerij van Christoffel Plantin, is lange tijd een centrum van boekproductie. Na de val van Antwerpen in 1585 trekken tienduizenden inwoners van de zuidelijke Nederlanden naar het noorden, wat de taal van Holland mee heeft beïnvloed.
In de Republiek groeit de schrijftaal naar meer eenheid. De Statenvertaling van de Bijbel — waartoe de Synode van Dordrecht (1618–1619) besloot, gemaakt door vertalers uit verschillende gewesten en uitgegeven in 1637 — werd eeuwenlang in protestantse huishoudens gelezen en heeft de schrijftaal sterk beïnvloed.
Literair is dit de Gouden Eeuw van Joost van den Vondel (1587–1679, Gysbreght van Aemstel, Lucifer), P.C. Hooft (1581–1647, historicus en dichter), Gerbrand Adriaenszoon Bredero (1585–1618, Spaanschen Brabander), Jacob Cats (1577–1660) en Constantijn Huygens (1596–1687). Zie de literatuurpagina.
Modern Nederlands (1700–1945)
In de achttiende eeuw wordt de taal verder beschreven en geregeld. De taalkundige Lambert ten Kate (1674–1731) vergeleek het Nederlands in zijn Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake (1723) systematisch met verwante Germaanse talen. In 1782 publiceren Betje Wolff en Aagje Deken Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, een roman in brieven die vaak als de eerste moderne Nederlandse roman wordt beschouwd.
In 1804 krijgt het Bataafs Gemenebest een officiële spelling — de Spelling-Siegenbeek, naar de Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek — en in 1805 volgt de officiële grammatica van Petrus Weiland. Rond 1863–1866 leggen Matthias de Vries en Lammert Allard te Winkel de spelling vast die zij voor het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) gebruiken. België voert die spelling in 1864 officieel in, Nederland in 1883. Het WNT zelf zou pas in 1998 voltooid worden.
In 1934 voert de Nederlandse onderwijsminister Hendrik Marchant een vereenvoudigde spelling in voor het onderwijs: de -sch verdwijnt uit woorden als mensch en uit bijvoeglijke naamwoorden als Nederlandsche. Pas in 1946 (België) en 1947 (Nederland) wordt een gezamenlijke spelling wettelijk vastgelegd. Zie spelling voor de regels van nu.
Literair omvat deze periode onder meer Multatuli (Max Havelaar, 1860), de Tachtigers (Kloos, Gorter, Van Eeden), Louis Couperus, en in de twintigste eeuw Nescio, Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff en Willem Elsschot. Zie literatuur.
Zie ook de geschiedenis van de spelling, van Siegenbeek tot het Groene Boekje.
Hedendaags Nederlands (1945–heden)
Na 1945 wordt het taalbeleid steeds meer een gezamenlijke zaak van Nederland en België. In 1954 verschijnt het eerste gezamenlijke Groene Boekje. Op 9 september 1980 ondertekenen beide landen het Taalunieverdrag, dat in 1982 in werking treedt. Suriname is sinds 2004 geassocieerd lid van de Taalunie. Zie de Taaluniepagina voor de structuur.
De spelling wordt in 1995 en 2005 herzien; vooral de regels voor de tussen-n in samenstellingen (pannenkoek) leidden tot discussie. De laatste gedrukte editie van het Groene Boekje verscheen in 2015. Digitalisering maakte veel bronnen vrij toegankelijk: het WNT staat sinds 2007 gratis online, de Woordenlijst is te raadplegen op woordenlijst.org en het Instituut voor de Nederlandse Taal publiceert historische woordenboeken en tekstcorpora.
Literair is de hedendaagse periode veelstemmig: naast schrijvers uit Nederland en Vlaanderen (Hugo Claus, Tom Lanoye, Dimitri Verhulst, Peter Terrin) staan Surinaamse auteurs (Albert Helman, Bea Vianen, Astrid Roemer, Karin Amatmoekrim) en schrijvers met een migratieachtergrond. In 2020 won Marieke Lucas Rijneveld met De avond is ongemak, in de Engelse vertaling van Michele Hutchison, de International Booker Prize. Zie literatuur.
Ondertussen verandert het taalgebruik door digitalisering snel: er wordt meer informeel geschreven (chat, sociale media), en het Engels neemt in wetenschap en bedrijfsleven een grotere plaats in. De positie van het Nederlands in het hoger onderwijs is in Nederland en Vlaanderen een terugkerend politiek onderwerp. Zie ook de woordenschatpagina en de dialectpagina.
Veelgestelde vragen
Wat is de oudste Nederlandse zin?
Als oudste bekende Nederlandse zin geldt meestal maltho thi afrio lito, een formule voor het vrijlaten van een halfvrije uit de Malbergse glossen bij de zesde-eeuwse Salische wet. De oudste bekende literaire tekst is het versje Hebban olla vogala, dat kort voor 1100 werd opgeschreven.
Wat is het verschil tussen Oudnederlands en Middelnederlands?
Oudnederlands is de taal van ongeveer 500 tot 1150, bekend uit weinig bronnen zoals glossen en de Wachtendonckse Psalmen. Middelnederlands is de taal van ongeveer 1150 tot 1500, waaruit veel meer teksten bewaard zijn: oorkonden, ridderromans, dierdichten en religieuze teksten. In beide perioden bestond nog geen standaardtaal.
Uit welke bronnen kennen we het Middelnederlands?
Belangrijke bronnen zijn de dertiende-eeuwse oorkonden en literaire teksten, verzameld in het Corpus Gysseling, en werken als Van den vos Reynaerde en de geschriften van Hadewijch en Ruusbroec. De woordenschat is beschreven in het Middelnederlandsch Woordenboek en het Vroegmiddelnederlands Woordenboek, die online staan bij het Instituut voor de Nederlandse Taal.
Waarom schreef men vroeger Nederlandsche?
Tot de spellingvereenvoudiging van minister Marchant in 1934 schreef men in Nederland veel woorden met -sch, zoals mensch en Nederlandsche. Die spelling kwam uit het systeem van De Vries en Te Winkel uit de negentiende eeuw. In 1946 en 1947 legden België en Nederland een gezamenlijke spelling zonder die -sch vast.
Verder lezen
I
Spelling
Van Siegenbeek (1804) tot de herzieningen van 1995 en 2005: de officiële regels en hun geschiedenis.
Naar de spellingII
Literatuur
Acht eeuwen Nederlandstalige literatuur, van Hadewijch tot Rijneveld.
Naar de literatuurIII
Taalunie
De verdragsorganisatie uit 1980 die de officiële spelling vaststelt.
Naar de Taalunie