Het Nederlands behoort tot de West-Germaanse tak van de Indo-Europese taalfamilie
en is daarmee verwant aan het Duits, het Engels en het Fries. Het wordt als
moedertaal gesproken door ongeveer vijfentwintig miljoen mensen,
met daarnaast enkele miljoenen tweedetaalsprekers.
Het Nederlands heeft officiële status in Nederland, in het
Vlaamse Gewest en Brussels Hoofdstedelijk Gewest
van België, in Suriname, op de eilanden Aruba,
Curaçao en Sint Maarten, en in
Caribisch Nederland (Bonaire, Saba en Sint Eustatius). Binnen
de Europese Unie is het een van de werktalen. De standaardtaal wordt sinds 1980
in gezamenlijk verdrag geregeld door de Nederlandse Taalunie.
De oudste doorlopende Nederlandse zin die is overgeleverd —
„Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu…“ —
werd rond het einde van de elfde eeuw op een kladblad geschreven door een Vlaamse
monnik in het Engelse Rochester. Sindsdien heeft de taal Middelnederlandse
stadskronieken, Renaissance-poëzie, een vroegmoderne Statenvertaling en vier
eeuwen wereldliteratuur voortgebracht.